WONEN IN ITALIË – Nat hout
Ik trek een blok hout uit de houtstapel. Onmiddellijk komt er een lawine van houtblokken naar beneden. Ik spring gauw weg, het terras op. Jongens, jongens, wat ben ik die winter zat met al z'n ongemakken.
Deze week enorm getobd met de kachel. Met de kachel op zich is niets mis, hij blijft echt een sieraad in m'n keuken. Nee, het probleem was het hout.
Dat gesjouw met hout is nog tot daar aan toe, maar het wilde maar niet branden. Het had een paar dagen geregend, een dag echt heel hard, en mijn houtstapel, hoewel afgedekt, was toch behoorlijk vochtig geworden.
Nat hout, wie had ooit kunnen denken dat dat nog eens een serieus probleem voor me zou zijn? Een klein praktisch probleem op de schaal van het wereldgebeuren, maar toch.
Ik probeerde van alles, maar het vuur kwam niet verder dan wat zielig smeulen. M'n aanmaakhoutjes raakten op, de aanmaakblokjes, ten einde raad begon ik papieren zakdoekjes in de kachel te gooien.
Die branden namelijk heel goed, maar heel kort en wat overblijft is een hoopje zwartgeblakerd papier. Ik had een mondkapje voorgedaan omdat ik telkens als ik het deurtje van de kachel open deed een rookwalm in m'n gezicht kreeg. Heerlijk dat plattelandsleven!
Uiteindelijk kocht ik bij Sara twee pakken witte aanmaakblokjes, pure benzine. Met mijn ovenwanten aan en mijn mondkapje voor haalde ik de hele kachel leeg.
Inmiddels was er een halve dag verstreken en had het hout binnen liggen drogen. De kamertemperatuur begon aardig te zakken. Ik stapelde nieuwe houtblokken op in de kachel en bezwoer het rode monster dat ie zou branden. Ik was inmiddels op het punt aanbeland dat ik desnoods een heel pak benzineblokjes erin zou gooien.
Ondertussen keken de poezen, vanuit een luie stoel toe hoe hun vrouwtje bezig was. De kachel eerst leegmaken, as eruit scheppen, dan weer vullen, een lapje voor haar mond om niet in de aswolk te stikken.
Ik kon me inhouden en gooide er geen heel pak aanmaakblokjes in, maar legde tussen en onder het hout wel een stuk of zes benzineblokjes neer. En het brandde! En niet zo'n beetje ook. Aanvankelijk verspreidde zich een vieze benzinelucht. Ik zette de buitendeuren open en rende telkens naar buiten voor een schep frisse lucht.
Het vuur is daarna niet meer uit geweest. De kachel brandde als een razende, de vlammen schoten alle kanten op en het gevaarte maakte een ondergronds grommend geluid. Als muziek in mijn moëe oren.
Hierna namen de poezen weer ieder hun plek in op de twee stoelen die voor de kachel staan en wentelen ze zich de hele dag van hun zij op hun rug om maximaal van de warmte te kunnen genieten.
Ikzelf snak naar warm weer zodat die kachel uit kan en overweeg de volgende winter met Ysabel mee te gaan naar Lima. Zeventien uur vliegen maar daarna zit je dan ook midden in januari in de warmte. Het is wel verregaand maar ik heb er nu eenmaal een bloedhekel aan de padvinder te moeten spelen.
Jarenlang was het een droom. Een huis in Italië. Op vakantie stond ik steevast lang voor de etalage van de makelaar ter plaatse. Maar het moment was (nog) niet geschikt. Ik werkte nog, mijn geliefde was ziek, m’n ouders hadden steeds meer zorg nodig. Ik bleef dromen en fantaseren, allemaal heel veilig. Jaar na jaar ging voorbij. Er gebeurde veel. Cor ging dood, ik maakte een voettocht naar Rome, werd ontslagen en toen was daar opeens het moment van: nu of nooit.